De geschiedenis van Zoetermeer gaat duizend jaar terug in de tijd. In een reeks verhalen nemen wij u mee op reis door deze duizend jaar geschiedenis. Beginnende bij het ontstaan van het Zoetermeerse Meer en eindigend bij de bouw van Oosterheem. Deze keer: De Meerpolder.

Meerpolder

Na het ontzet van Leiden in 1574 kwam er een eind aan het oorlogsgeweld in de directe omgeving van Zoetermeer en Zegwaart. De schade die de onderwaterzetting, in aanloop naar de Slag om Zoetermeer en het ontzet, was aangericht werd hersteld. En in 1606 kwam het Twaalfjarig bestand. Desondanks bleven de gevolgen van de Tachtigjarige Oorlog nog steeds goed merkbaar. Meer dan honderdduizend vluchtelingen kwamen vanuit de zuidelijke Nederlanden naar het graafschap Holland toe. Ze vonden werk in het graafschap. Maar ze hadden ook huisvesting en voedsel nodig. Daar was weinig land voor beschikbaar door onder andere de meren en het turfsteken.

De enige manier om het gebrek aan land en voedsel aan te pakken was landwinning. Tegelijkertijd zou daarmee het verder afspoelen van het land aangepakt kunnen worden. Ten noorden van het IJ bij Amsterdam was er al rond 1564 geëxperimenteerd met het droogmalen van meren. Een van de pioniers was Lamoraal van Egmond. Het lukte Lamoraal om, na een aantal kleine meertjes, in 1564 het Egmondermeer en Bergermeer droog te malen.

Eerste Droogmakerij ten zuiden van het IJ

Het initiatief voor het droogmalen van het Zoetermeerse Meer heeft mogelijk gelegen bij Jacob Oem van Wijngaerden. Hij was ambachtsheer van Zoetermeer en had het recht op visserij en vogelarij op het Zoetermeerse Meer. Dat leverde hem weinig geld op terwijl land juist meer geld opleverde. Dat heeft hem vermoedelijk op het idee gebracht om het meer droog te gaan malen. De eerste droogmakerij ten zuiden van het IJ. Voor deze onderneming had Jacob Oem van Wijngaerden zelf te weinig financieel vermogen en het bracht ook veel werklast met zich mee. Daarom vroeg hij een octrooi aan bij de Staten van Holland samen met Everandus Vorstius, Johan Pellecorn, Christoffel Dircksz van Nieuwenhoven en Willem Usselincx. Op 15 maart 1614 kregen ze het octrooi voor de drooglegging van het Zoetermeer Meer.

Voor de aanleg van de dijken rondom de Meerpolder mochten de bedijkers gebruik maken van het omliggend land. Wel werden alle eigenaren van het land gecompenseerd. Toen het land rond het meer was gekocht werd er eerst begonnen met het vullen van dobbens. Dat zijn al dan niet met hemelwater gevulde laagten zonder een natuurlijk afvoer. Ook werden er dammen aangelegd in slootjes die uitliepen in, of in de omgeving van, het meer.

Vervolgens werd er door honderden platbodems en andere schepen aarde uit de directe omgeving en daarbuiten aangevoerd. De Noord-Aasche Vliet, die het water van het meer afvoerde, werd afgedamd. En er werd een ringsloot gegraven en met de grond die werd uitgegraven werd de dijk aangelegd rond de toekomstige polder. Hierbij werd er gebruik gemaakt van tientallen aannemers die alleen schoppen en kruiwagens hadden om mee te werken. Daarna werd er met 4 molens 200 miljoen liter water uit het meer gepompt. Uiteindelijk viel in juli 1616 het Zoetermeerse Meer droog en ontstond daarmee de Meerpolder.

Als u meer wilt weten over dit verhaal, kijk dan ook op sachavanvlaardingen.wordpress.com.

Tekst en foto: Sacha van Vlaardingen

-advertenties-

-goede doel-